Het ICF-model is het internationale classificatiesysteem waarmee zorgprofessionals het functioneren van patiënten in kaart brengen. In dit artikel lees je wat de vijf componenten van het ICF-schema betekenen, hoe je het model invult aan de hand van een praktijkcasus, en wat het verschil is met andere methodieken zoals de 11 patronen van Gordon.
Inhoud
- Wat is het ICF-model?
- Waarom wordt het ICF-model gebruikt?
- De 5 componenten van het ICF-schema
- Het ICF-schema visueel weergegeven
- ICF-model invullen: praktijkvoorbeeld
- Verschil tussen ICF en de 11 patronen van Gordon
- ICF-CY: voor kinderen en jongeren
- ICF core sets
- Tips voor het werken met het ICF-model
- Veelgestelde vragen
- Bronnen en achtergrond
Wat is het ICF-model?
ICF staat voor International Classification of Functioning, Disability and Health. Het is een classificatiesysteem dat in 2001 is ontwikkeld door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). De Nederlandse vertaling verscheen in 2002 en wordt sindsdien gebruikt in de Nederlandse gezondheidszorg.
Het ICF-model beschrijft het menselijk functioneren vanuit drie perspectieven: het lichamelijke perspectief (functies en anatomie), het individuele perspectief (activiteiten) en het maatschappelijke perspectief (participatie). Daarnaast houdt het model rekening met externe factoren uit de omgeving en persoonlijke factoren van het individu.
In tegenstelling tot een classificatie als de ICD-10 (die ziekten classificeert), beschrijft de ICF niet wát iemand heeft, maar hóé iemand functioneert. Een diagnose zegt namelijk weinig over wat iemand nog wel of niet kan. Twee mensen met dezelfde ziekte kunnen op totaal verschillende manieren functioneren.
Waarom wordt het ICF-model gebruikt?
Het ICF-model wordt in de Nederlandse gezondheidszorg om verschillende redenen toegepast. Het biedt een gemeenschappelijke taal voor multidisciplinaire teams: verpleegkundigen, fysiotherapeuten, ergotherapeuten, artsen en maatschappelijk werkers kunnen met dezelfde begrippen communiceren over een patiënt.
Concrete toepassingen van het ICF-model zijn het formuleren van verpleegkundige en paramedische diagnoses, het opstellen van behandeldoelen die aansluiten bij de wensen van de patiënt, indicatiestelling door het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg), en het in kaart brengen van arbeids(on)geschiktheid. Het model wordt daarnaast gebruikt in wetenschappelijk onderzoek om gezondheidsuitkomsten te meten en te vergelijken.
Bekijk het complete overzicht van alle methodieken, met gratis downloads en APA-citaties voor je werkstuk.
De 5 componenten van het ICF-schema
Het ICF-model bestaat uit vijf componenten die samen het functioneren van een persoon beschrijven. Deze componenten staan niet los van elkaar, maar beïnvloeden elkaar wederzijds. Dit wordt in het schema weergegeven door dubbele pijlen.
1. Ziekte of aandoening (gezondheidstoestand)
Bovenaan het ICF-schema staat de ziekte, aandoening of het letsel. Dit is het vertrekpunt, maar niet het belangrijkste onderdeel. De ICF classificeert namelijk niet de ziekte zelf (dat doet de ICD-10), maar de gevolgen ervan voor het functioneren.
Voorbeelden: dementie, CVA, COPD, of een gebroken heup.
2. Functies en anatomische eigenschappen
Dit component beschrijft het lichamelijke perspectief. Functies zijn de fysiologische en mentale eigenschappen van het lichaam. Anatomische eigenschappen betreffen de positie, aanwezigheid en vorm van lichaamsdelen. Stoornissen zijn afwijkingen of verlies van functies of anatomische eigenschappen.
Voorbeelden van stoornissen: verminderd denkvermogen (bij dementie), halfzijdige verlamming (bij CVA), verminderde longcapaciteit (bij COPD), of een gebroken bot.
3. Activiteiten
Activiteiten zijn de handelingen die iemand uitvoert. Het gaat om wat iemand daadwerkelijk doet of kan doen. Beperkingen zijn de moeilijkheden die iemand ervaart bij het uitvoeren van activiteiten. Het ICF maakt onderscheid tussen capaciteit (wat iemand kan in een gestandaardiseerde omgeving) en performantie (wat iemand daadwerkelijk doet in de eigen omgeving).
Voorbeelden van beperkingen: niet zelfstandig kunnen aankleden, moeite met traplopen, niet meer kunnen autorijden, of problemen met eten en drinken.
4. Participatie
Participatie beschrijft de deelname aan het maatschappelijke leven. Participatieproblemen ontstaan wanneer iemand door de ziekte of beperkingen niet meer kan deelnemen aan activiteiten die voor hem of haar belangrijk zijn. Dit raakt het sociale leven, werk, hobby's en relaties.
Voorbeelden van participatieproblemen: niet meer kunnen werken, geen huishouden meer kunnen voeren, niet meer kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten, of sociale isolatie.
5. Externe en persoonlijke factoren
Onderaan het schema staan de contextfactoren, opgesplitst in externe factoren en persoonlijke factoren. Deze factoren beïnvloeden hoe iemand functioneert en kunnen zowel bevorderend als belemmerend werken.
Externe factoren zijn de fysieke en sociale omgeving: de woning (trappen, drempels), hulpmiddelen (rollator, aangepaste auto), sociale steun (mantelzorg, familie), werk of onderwijs, wetgeving en voorzieningen. Persoonlijke factoren zijn kenmerken van het individu: leeftijd, geslacht, opleiding, leefstijl, motivatie, copingstijl en eerdere ervaringen. De WHO heeft de persoonlijke factoren niet nader uitgewerkt in de officiële classificatie, maar in de praktijk worden ze wel meegenomen.
Het ICF-schema visueel weergegeven
Het ICF-model wordt vaak weergegeven als een schema met de ziekte/aandoening bovenaan, daaronder de drie niveaus van functioneren (functies, activiteiten, participatie) en onderaan de externe en persoonlijke factoren. Alle onderdelen zijn met elkaar verbonden door dubbele pijlen, wat de wederzijdse beïnvloeding aangeeft.
De structuur ziet er als volgt uit:
Ziekte/aandoening
↕
Functies en anatomische eigenschappen ↔ Activiteiten ↔ Participatie
↕
Externe factoren | Persoonlijke factoren
ICF-model invullen: praktijkvoorbeeld
Hieronder staat een uitgewerkte casus die laat zien hoe je het ICF-schema in de praktijk invult.
Casus: Mevrouw Valk (83 jaar) met dementie
Ziekte/aandoening: Alzheimer/dementie
Functies en anatomische eigenschappen (stoornissen):
- Verminderd kortetermijngeheugen
- Verminderd denkvermogen en oordeelsvermogen
- Desoriëntatie in tijd en plaats
- Stemmingswisselingen
Activiteiten (beperkingen):
- Kan niet zelfstandig boodschappen doen
- Kan niet meer koken (vergeet pannen op het vuur)
- Heeft hulp nodig bij medicatie-inname
- Kan niet meer zelfstandig financiën beheren
Participatie (participatieproblemen):
- Kan geen zelfstandig huishouden meer voeren
- Kan niet meer deelnemen aan kerkelijke activiteiten zonder begeleiding
- Verminderd contact met vriendinnen door schaamte over geheugenproblemen
Externe factoren:
- Bevorderend: dochter woont in de buurt en helpt dagelijks
- Bevorderend: gelijkvloerse woning
- Belemmerend: echtgenoot is ook op leeftijd en kan beperkt ondersteunen
- Belemmerend: geen dagbesteding in de buurt
Persoonlijke factoren:
- Bevorderend: accepteert hulp van dochter
- Bevorderend: behoud van humor
- Belemmerend: schaamt zich voor geheugenproblemen
- Belemmerend: wil niet naar dagopvang
Verschil tussen ICF en de 11 patronen van Gordon
Zowel het ICF-model als de 11 patronen van Gordon worden gebruikt om gegevens over patiënten te ordenen, maar ze hebben een ander uitgangspunt en doel.
De 11 patronen van Gordon zijn specifiek ontwikkeld voor de verpleegkundige anamnese. Ze helpen verpleegkundigen om systematisch gegevens te verzamelen over alle levensgebieden van een patiënt. Gordon is een verpleegkundig model dat leidt tot verpleegkundige diagnoses.
Het ICF-model is een multidisciplinair classificatiesysteem. Het wordt niet alleen door verpleegkundigen gebruikt, maar ook door fysiotherapeuten, ergotherapeuten, artsen, psychologen en maatschappelijk werkers. Het ICF focust op functioneren en participatie, en biedt een gemeenschappelijke taal voor het hele zorgteam.
In de praktijk vullen beide systemen elkaar aan. Een verpleegkundige kan Gordon gebruiken voor de anamnese en het ICF-model voor de multidisciplinaire bespreking. De gegevens uit de Gordon-patronen kunnen worden vertaald naar ICF-termen voor communicatie met andere disciplines.
ICF-CY: voor kinderen en jongeren
In 2007 is de ICF-CY gepubliceerd: de versie voor kinderen en jongeren (Children and Youth). Deze versie houdt rekening met de specifieke kenmerken van het opgroeiende kind. De ICF-CY bevat meer gedetailleerde codes voor ontwikkeling, leren en spelen.
De ICF-CY wordt gebruikt van geboorte tot 18 jaar. Het is bijzonder geschikt voor kinderen met ontwikkelingsstoornissen zoals autisme of cerebrale parese, waarbij de diagnose hetzelfde kan zijn maar het functioneren sterk verschilt per kind.
ICF core sets
De volledige ICF bevat meer dan 1.400 categorieën, wat het gebruik in de dagelijkse praktijk lastig maakt. Daarom zijn er ICF core sets ontwikkeld: verkorte lijsten met alleen de meest relevante categorieën voor een specifiek ziektebeeld of situatie.
Er bestaan core sets voor onder andere depressie, lage rugpijn, CVA, revalidatie en arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Deze core sets maken het mogelijk om de ICF gestandaardiseerd te gebruiken zonder de volledige classificatie te hoeven doorlopen.
Tips voor het werken met het ICF-model
Bij het invullen van een ICF-schema is het belangrijk om onderscheid te maken tussen wat de patiënt vertelt en wat jij als zorgverlener observeert. Beiden zijn waardevol, maar kunnen verschillen. Noteer zowel de beperkingen als de mogelijkheden: het ICF is een neutrale classificatie die ook positieve aspecten kan beschrijven.
Betrek de patiënt actief bij het invullen. Vraag wat voor hem of haar belangrijk is op het gebied van activiteiten en participatie. Dit helpt bij het formuleren van betekenisvolle behandeldoelen. Wees zo specifiek mogelijk. In plaats van “mobiliteitsproblemen” beschrijf je “kan maximaal 50 meter lopen met rollator”.
Vergeet de contextfactoren niet. Een patiënt met dezelfde stoornis kan heel anders functioneren afhankelijk van de omgeving en persoonlijke kenmerken. Een alleenstaande zonder mantelzorg heeft andere ondersteuningsbehoeften dan iemand met een groot sociaal netwerk.
Veelgestelde vragen
Wat betekent ICF voluit?
ICF staat voor International Classification of Functioning, Disability and Health. In het Nederlands: Internationale Classificatie van het menselijk Functioneren. Het is een classificatiesysteem van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2001.
Wat is het verschil tussen ICF en ICD?
De ICD (International Classification of Diseases) classificeert ziekten en aandoeningen. De ICF classificeert het functioneren van mensen en de factoren die daarop van invloed zijn. Beide systemen vullen elkaar aan: de ICD zegt wát iemand heeft, de ICF beschrijft hóé iemand functioneert.
Wie gebruikt het ICF-model?
Het ICF wordt gebruikt door verpleegkundigen, fysiotherapeuten, ergotherapeuten, logopedisten, artsen, psychologen, maatschappelijk werkers en indicatiestellers. Het is een multidisciplinair model dat communicatie tussen verschillende zorgverleners vergemakkelijkt.
Wat zijn externe factoren in het ICF?
Externe factoren zijn omgevingsfactoren die invloed hebben op het functioneren. Voorbeelden zijn de woonsituatie, beschikbare hulpmiddelen, sociale steun van familie of vrienden, de werkplek, wetgeving en toegang tot zorgvoorzieningen. Ze kunnen bevorderend of belemmerend zijn.
Wat zijn persoonlijke factoren in het ICF?
Persoonlijke factoren zijn kenmerken van het individu die geen deel uitmaken van de gezondheidstoestand. Voorbeelden zijn leeftijd, geslacht, opleiding, beroep, leefstijl, karakter, copingstijl en motivatie. De WHO heeft deze niet officieel geclassificeerd, maar ze worden wel meegenomen in de praktijk.
Wat is het verschil tussen capaciteit en performantie in het ICF?
Capaciteit is wat iemand kan doen in een gestandaardiseerde omgeving (bijvoorbeeld tijdens een test bij de fysiotherapeut). Performantie is wat iemand daadwerkelijk doet in de eigen leefomgeving. Het verschil kan wijzen op omgevingsfactoren die belemmerend of juist bevorderend werken.
Hoe verhoudt het ICF zich tot de PES-structuur?
De PES-structuur (Probleem, Etiologie, Symptomen) wordt gebruikt om verpleegkundige diagnoses te formuleren. Het ICF is breder en beschrijft het complete functioneren. Gegevens uit een ICF-schema kunnen worden gebruikt om een PES-diagnose op te stellen, waarbij de P vaak overeenkomt met een activiteitenbeperking of participatieprobleem.
Waar vind ik een leeg ICF-schema om in te vullen?
Een leeg ICF-schema kun je downloaden via de website van het WHO-FIC Collaborating Centre Nederland (whofic.nl). Daar vind je ook de ICF basisinformatieset met 62 sheets die het model uitleggen.
Bronnen en achtergrond
Dit artikel is bedoeld als educatieve bron voor zorgprofessionals en studenten. Het vervangt geen officiële studieboeken of professionele opleiding. Lees meer in onze disclaimer en over onze werkwijze.
Voor dit artikel is informatie gebruikt van:
- WHO-FIC Collaborating Centre Nederland – ICF informatie
- RIVM – Nederlandse vertaling ICF (officiële WHO-FIC publicatie)
- Nictiz – ICF standaard in de Nederlandse zorg
- NVLF – Handreiking Oefenen met de ICF (2017)
- World Health Organization. International Classification of Functioning, Disability and Health: ICF. Geneva: WHO; 2001.
 
Gepubliceerd op 17 december 2025. Laatste review op 13 februari 2026, 20:09 door Alex








