Verpleegkundige meet vitale functies bij patient op verpleegafdeling

Meten van vitale functies: normaalwaarden en meetmethoden

Welke vitale functies meet je als verpleegkundige en wat zijn de normaalwaarden? Een praktische uitleg met meetmethoden, veelgemaakte fouten en een overzichtelijke normaalwaardentabel.

Je patient wordt onrustig, de ademhaling versnelt en de huid voelt klam aan. Iets klopt er niet. Maar wat precies? Door de vitale functies te meten krijg je binnen enkele minuten een objectief beeld van hoe het er fysiologisch voorstaat. Het meten van vitale functies is een van de eerste vaardigheden die je als verpleegkundige leert, en een van de belangrijkste die je je hele loopbaan blijft gebruiken.

 

In het kort
  • Bij het meten van vitale functies controleer je ademhaling, hartfrequentie, bloeddruk, temperatuur, saturatie en bewustzijn
  • Normaalwaarden bij volwassenen: hartslag 60-100/min, ademhaling 12-20/min, bloeddruk rond 120/80 mmHg, temperatuur 36,0-37,5 graden, saturatie 95-100%
  • De ABCDE-methode biedt structuur bij het beoordelen van vitale functies
  • De Early Warning Score (EWS) helpt verslechtering vroegtijdig te signaleren

 

Wat zijn vitale functies?

Vitale functies zijn de lichaamsparameters die direct iets zeggen over de overlevingskansen van een patient. Het woord vitaal betekent letterlijk “van levensbelang”. Wanneer een of meer van deze functies uitvalt of ernstig afwijkt, komt de patient in gevaar.1

In de dagelijkse verpleegkundige praktijk meten we zes vitale parameters:

  1. Ademhalingsfrequentie (aantal ademhalingen per minuut)
  2. Hartfrequentie (pols, aantal hartslagen per minuut)
  3. Bloeddruk (systolische en diastolische druk in mmHg)
  4. Lichaamstemperatuur (in graden Celsius)
  5. Zuurstofsaturatie (SpO2, percentage zuurstof in het bloed)
  6. Bewustzijn (niveau van alertheid en reactievermogen)

Die zes parameters vormen samen het fundament van de Early Warning Score (EWS) en de ABCDE-methodiek.2 Ze hangen nauw met elkaar samen: valt de bloedcirculatie weg, dan daalt het bewustzijn omdat de hersenen geen zuurstof meer krijgen. Stopt de ademhaling, dan zakt de saturatie en raakt de circulatie in de problemen.

Wist je dat

Op de spoedeisende hulp spreekt men vaak over drie vitale functies: bewustzijn, ademhaling en circulatie. In de klinische verpleegkunde worden daar bloeddruk, temperatuur en saturatie aan toegevoegd om een vollediger beeld te krijgen.1

 

Normaalwaarden vitale functies bij volwassenen

Voordat je een afwijking kunt herkennen, moet je weten wat normaal is. De onderstaande waarden gelden voor gezonde volwassenen in rust.3

Vitale functieNormaalwaardeWanneer actie ondernemen
Ademhalingsfrequentie12-20 per minuut<10 of >25 per minuut
Hartfrequentie (pols)60-100 per minuut<45 of >120 per minuut
Bloeddruk (systolisch)110-140 mmHg<90 of >180 mmHg
Bloeddruk (diastolisch)70-90 mmHg>110 mmHg
Temperatuur36,0-37,5 °C<35,5 of >38,5 °C
Saturatie (SpO2)95-100%<95% (of <92% bij COPD)
Bewustzijn (AVPU)A (alert)V, P of U

Enkele kanttekeningen bij deze waarden. Getrainde sporters hebben regelmatig een hartfrequentie onder de 60 per minuut, zonder dat dit een probleem is. Patienten met COPD of hartfalen hebben vaak een lagere saturatie als uitgangspunt: bij hen is 92-95% soms acceptabel.4 En bij ouderen kan de bloeddruk van nature wat hoger liggen. Ken de normaalwaarden, maar ken ook je patient.

 

Normaalwaarden vitale functies bij volwassenen: ademhaling, hartslag, bloeddruk, temperatuur, saturatie

 

Vitale functies meten: zo doe je dat per parameter

Elke parameter vraagt een eigen meetmethode en eigen aandachtspunten. Hieronder lees je per vitale functie hoe je meet en waar je op let.

Ademhalingsfrequentie

Tel het aantal ademhalingen gedurende een volle minuut. Kijk naar de thoraxbewegingen of leg een hand op de buik van de patient. Meet bij voorkeur zonder dat de patient weet dat je telt: zodra iemand zich bewust wordt van de eigen ademhaling, verandert het patroon. Veel verpleegkundigen tellen de ademhaling terwijl ze doen alsof ze de pols meten.

Let naast de frequentie ook op de diepte, het ritme en het ademhalingspatroon. Een oppervlakkige, snelle ademhaling vertelt een ander verhaal dan diepe, langzame ademhaling. Gebruik van hulpademhalingsspieren (neusvleugelen, intrekkingen bij het borstbeen) wijst op verhoogde ademarbeid.

Hartfrequentie (pols)

De hartfrequentie meet je aan de arteria radialis (pols aan de duimzijde van de pols). Gebruik je wijs- en middelvinger, nooit je duim: die heeft een eigen pulsatie die de meting kan verstoren. Tel minimaal 30 seconden en vermenigvuldig met twee, of tel een volle minuut bij een onregelmatig ritme.5

Beoordeel niet alleen de frequentie, maar ook het ritme (regelmatig of onregelmatig) en de vulling (krachtig of zwak). Een onregelmatige pols kan wijzen op boezemfibrilleren en vraagt om nadere diagnostiek.

Bloeddruk

De bloeddruk meet je met een bloeddrukmeter en een manchet om de bovenarm. Volgens het NHG-protocol gelden deze voorwaarden voor een betrouwbare meting:6

  • De patient zit minimaal vijf minuten in rust
  • De manchet zit op harthoogte, circa 2,5 cm boven de elleboogplooi
  • Gebruik de juiste manchetmaat (te smal geeft een te hoge waarde, te breed een te lage)
  • Meet minimaal twee keer en neem het gemiddelde van de laatste twee metingen
  • Praat niet tijdens de meting

Bij een nieuwe patient meet je aan beide armen. Een verschil van meer dan 10 mmHg systolisch tussen links en rechts is klinisch relevant en moet je documenteren.6

Let op

Automatische bloeddrukmeters geven bij boezemfibrilleren vaak een foutmelding of een onbetrouwbare waarde. Voel daarom altijd de pols bij het meten van de bloeddruk. Een onregelmatige pols is reden om handmatig (auscultatoir) te meten.6

Lichaamstemperatuur

De temperatuur meet je rectaal, oraal, axillair (oksel) of tympanisch (oor). De meetplaats bepaalt de nauwkeurigheid: rectaal is het meest betrouwbaar maar het minst prettig voor de patient. In de dagelijkse praktijk wordt vaak tympanisch of oraal gemeten.

Houd rekening met meetverschillen per locatie. Een axillaire meting geeft doorgaans een waarde die 0,3-0,5 graden lager ligt dan de kerntemperatuur. Bij koorts (boven 38,0 graden) of hypothermie (onder 35,5 graden) is het belangrijk om de meetlocatie te vermelden in je rapportage.4

Zuurstofsaturatie (SpO2)

De saturatie meet je met een pulsoximeter, een klein klemmetje dat je op de vinger plaatst. Het apparaat meet hoeveel procent van het hemoglobine verzadigd is met zuurstof.

Een betrouwbare meting vereist een goede doorbloeding van de vinger. Factoren die de meting verstoren zijn nagellak (met name donkere kleuren), koude vingers, een laag hemoglobinegehalte, overmatig bewegen en trillen.4 Bij twijfel over de waarde: meet aan een andere vinger of aan de oorlel.

Praktische tip

Een pulsoximeter geeft ook de hartfrequentie weer, maar meet die niet aan de pols. Vergelijk regelmatig de waarde op het scherm met een handmatige polstelling. Bij een groot verschil kan er sprake zijn van een onregelmatig ritme dat het apparaat niet goed oppikt.

Bewustzijn

Het bewustzijn beoordeel je snel met de AVPU-schaal:3

  • A (Alert): de patient is wakker, reageert adequaat op aanspreken en kijkt je aan
  • V (Voice): de patient reageert alleen op aanspreken, opent de ogen bij het horen van je stem
  • P (Pain): de patient reageert alleen op een pijnprikkel
  • U (Unresponsive): de patient reageert nergens op

Een uitgebreidere beoordeling van het bewustzijn doe je met de Glasgow Coma Scale (EMV-score). Die scoort op oogopening, motorische reactie en verbale reactie. Bij een AVPU-score van V, P of U is er reden om de vitale functies vaker te controleren en de arts te waarschuwen.

 

Het meten van vitale functies met de ABCDE-methode

De ABCDE-methode geeft structuur aan het beoordelen van een patient, zeker in acute situaties. De volgorde is niet willekeurig: je behandelt eerst wat het snelst dodelijk is.7

1
A: Airway (luchtweg)
Is de luchtweg vrij? Kan de patient praten, hoesten? Zijn er bijgeluiden bij de ademhaling?
2
B: Breathing (ademhaling)
Tel de ademfrequentie, meet de saturatie, kijk naar de thoraxbewegingen en luister met de stethoscoop.
3
C: Circulation (circulatie)
Meet de hartfrequentie, bloeddruk en capillaire refill. Beoordeel de huidskleur en -temperatuur.
4
D: Disability (bewustzijn)
Beoordeel het bewustzijn met AVPU of de Glasgow Coma Scale. Controleer de pupillen en bloedsuiker.
5
E: Exposure (blootstelling)
Meet de temperatuur, inspecteer het lichaam op zichtbare afwijkingen en zorg dat de patient niet afkoelt.

Na de eerste ABCDE-beoordeling monitor je de patient met de EWS om te zien of de situatie verbetert of verslechtert.

Meten van vitale functies met stethoscoop tijdens ABCDE-beoordeling

 

Wanneer alarmeren: de Early Warning Score

Een enkele afwijkende waarde hoeft niet direct zorgwekkend te zijn. Maar wanneer meerdere parameters tegelijk afwijken, of wanneer een parameter sterk afwijkt, is er reden tot actie. De Early Warning Score (EWS) objectiveert dit door aan elke vitale parameter een puntscore toe te kennen.2

De EWS-score werkt als volgt: voor elke vitale functie krijgt de patient 0 punten als de waarde normaal is, en 1, 2 of 3 punten naarmate de waarde verder afwijkt. Hoe hoger de totaalscore, hoe meer de patient vitaal bedreigd is.

Het algemene protocol dat veel instellingen hanteren:

  • Score 0-2: standaard controle volgens schema (bijvoorbeeld elke 8 uur)
  • Score 3-4: verhoogde frequentie van meten (bijvoorbeeld elk uur) en overleg met de verpleegkundige
  • Score 5 of hoger: direct contact opnemen met de arts en overwegen het Spoed Interventie Team (SIT) in te schakelen

De exacte afkapwaarden en protocollen verschillen per ziekenhuis. Ken het protocol van je eigen instelling. Een stijgende trend in de EWS-score, ook als die nog onder de grenswaarde zit, is altijd reden om extra alert te zijn.2

 

Vitale functies meten bij ouderen

Bij oudere patienten zijn de normaalwaarden niet altijd een-op-een van toepassing. De bloeddruk ligt vaak hoger: een systolische waarde van 150 mmHg is bij een 80-jarige niet per se alarmerend. De hartfrequentie kan lager zijn door medicatie (betablokkers) of leeftijdsgerelateerde veranderingen.

Ouderen hebben vaak minder fysiologische reserves. Een kleine afwijking die bij een jongere patient weinig consequenties heeft, kan bij een oudere patient sneller tot ontregeling leiden. Tel daarbij op dat ouderen soms minder duidelijke symptomen laten zien: koorts kan uitblijven bij een infectie, en verwardheid kan het eerste teken zijn van een verslechterend ziektebeeld.4

Meet bij ouderen vaker en kijk nadrukkelijk naar het totaalplaatje. Vertrouw niet blind op individuele waarden, maar beoordeel de trend over tijd.

 

Veelgemaakte fouten bij het meten van vitale functies

Zelfs ervaren verpleegkundigen maken meetfouten. De meest voorkomende:

Fout: de ademhaling schatten in plaats van tellen. Veel verpleegkundigen noteren “16” zonder daadwerkelijk te tellen.

Goed: tel de ademhaling gedurende een volle minuut, of minimaal 30 seconden maal twee.

Fout: bloeddruk meten terwijl de patient net is gaan zitten of heeft gelopen.

Goed: laat de patient minimaal vijf minuten in rust zitten voor de meting.6

Fout: alleen op de getallen letten en niet naar de patient kijken.

Goed: combineer de meetwaarden met je klinische blik. Een patient die er slecht uitziet maar “normale” waarden heeft, kan alsnog achteruitgaan.

 

Praktijkvoorbeeld: vitale functies meten op de verpleegafdeling

Praktijkvoorbeeld: mevrouw Jansen, 72 jaar

Situatie: Mevrouw Jansen is opgenomen na een heupoperatie. Bij de avondcontrole valt op dat ze wat verward overkomt en minder goed reageert op vragen.

Toepassing: Je meet de vitale functies volgens de ABCDE-structuur. Luchtweg is vrij. Ademhalingsfrequentie: 24 per minuut (verhoogd). Saturatie: 93% (verlaagd). Hartfrequentie: 108 per minuut (verhoogd). Bloeddruk: 95/60 mmHg (verlaagd). Temperatuur: 38,7 graden (koorts). Bewustzijn: V op de AVPU-schaal (reageert alleen op aanspreken).

Resultaat: De EWS-score komt uit op 8. Volgens het protocol neem je direct contact op met de arts en meld je via de SBAR-methode: de patient is postoperatief, de vitale parameters zijn op meerdere punten afwijkend, en je vermoedt een beginnende sepsis. De arts besluit bloed af te nemen voor kweken en start een infuus.

Kernboodschap

Het meten van vitale functies is geen routineklusje maar een klinische vaardigheid. De waarde zit niet in de individuele getallen, maar in het herkennen van patronen en trends. Combineer je meetresultaten altijd met je klinische blik en gebruik de EWS-score om je bevindingen te objectiveren en te communiceren.

 

Veelgestelde vragen

Wat zijn de vijf vitale functies?

De vijf vitale functies die in de klinische praktijk het meest worden gemeten zijn ademhaling, hartfrequentie, bloeddruk, temperatuur en bewustzijn. Daar wordt vaak de zuurstofsaturatie als zesde parameter aan toegevoegd.

Hoe vaak moeten vitale functies worden gemeten?

Dat hangt af van de situatie. Op een reguliere verpleegafdeling is twee tot drie keer per dag gebruikelijk. Bij een verhoogde EWS-score of klinische achteruitgang wordt de frequentie opgehoogd naar elk uur of vaker, afhankelijk van het lokale protocol.

Wat is een normale bloeddruk?

Een optimale bloeddruk bij volwassenen is rond de 120/80 mmHg. Waarden tot 140/90 mmHg worden als normaal-hoog beschouwd. Boven de 140/90 mmHg spreekt men van hypertensie.

Waarom is de ademhalingsfrequentie zo belangrijk?

De ademhalingsfrequentie is vaak de eerste parameter die verandert bij verslechtering van een patient. Onderzoek laat zien dat een afwijkende ademfrequentie binnen zes uur voorafgaand aan een circulatiestilstand al zichtbaar kan zijn. Toch wordt deze parameter het vaakst vergeten of geschat in plaats van geteld.

Wat betekent een SpO2 van 92%?

Bij een gezonde volwassene is een saturatie van 92% te laag en reden om zuurstoftoediening te overwegen. Bij patienten met COPD of hartfalen kan een saturatie van 92-95% echter acceptabel zijn. Raadpleeg altijd het behandelplan van de patient.

Wat is het verschil tussen EWS en MEWS?

De EWS (Early Warning Score) is een verzamelnaam voor scoresystemen die klinische verslechtering vroegtijdig signaleren. De MEWS (Modified Early Warning Score) is een specifieke variant die vaak wordt gebruikt op Nederlandse verpleegafdelingen. De gemeten parameters zijn grotendeels hetzelfde, maar de puntentoekenning en afkapwaarden kunnen per variant verschillen.

 

 

Gepubliceerd op 26 maart 2026. Laatste review op 26 maart 2026, 21:05 door Alex

Gezondermeer logo

Op de hoogte blijven van onze nieuwe artikelen?

Schrijf je gratis in voor onze nieuwsbrief over Zorg & Verpleegkunde. We sturen je 1x per maand een update als we interessante nieuwe artikelen voor je hebben geplaatst. Anders niet.

We respecteren je privacy. Geen spam, uitschrijven kan altijd.

Avatar foto
Alex

Alex is medeoprichter en auteur van Gezondermeer.nl, waar hij sinds 2021 schrijft over gezondheid. Hij heeft een academische opleiding op Masterniveau (MSc), maar niet in een medisch vakgebied. Juist daarom staat brongebruik centraal: gezondheidsonderwerpen toetst hij zo goed mogelijk aan beschikbare wetenschap, richtlijnen en praktijkervaring.

De onderwerpen waar Alex het liefst over schrijft, hebben te maken met persoonlijke ervaring. Met de jaren komen gezondheidsthema's namelijk vanzelf dichterbij, van ouder worden en leefstijlvragen tot een chronische aandoening binnen zijn gezin (diabetes type 1). Hij schrijft regelmatig over diabetes, verpleegkundige methodologie, de toepassing van AI, biohacking en de overgang. Het snijvlak van technologie en gezondheid is waar hij zich het meest thuis voelt.

Artikelen: 384