NANDA-diagnoses vormen de basis van professioneel verpleegkundig handelen. Deze uitgebreide gids helpt je de meest voorkomende NANDA-verpleegkundige diagnoses te begrijpen en correct toe te passen in de praktijk. Met praktische voorbeelden, duidelijke uitleg en veelgemaakte fouten die je moet vermijden.
Inhoud
- Wat zijn NANDA verpleegkundige diagnoses?
- Hoe verschilt een NANDA-diagnose van een medische diagnose?
- De 13 domeinen van NANDA-I
- Top 25 meest gebruikte NANDA-diagnoses in Nederland
- Hoe formuleer je een NANDA-diagnose correct?
- Van Gordon-patroon naar NANDA-diagnose: praktische voorbeelden
- Veelgemaakte fouten bij NANDA-diagnoses
- Hoe blijf je actueel met NANDA?
- NANDA in combinatie met andere systemen
- Praktijktips voor het werken met NANDA
- Veelgestelde vragen over NANDA-diagnoses
- NANDA als onderdeel van professionele zorg
- Bronnen en achtergrond:
Wat zijn NANDA verpleegkundige diagnoses?
NANDA verpleegkundige diagnoses zijn gestandaardiseerde benamingen voor gezondheidsproblemen waar verpleegkundigen zelfstandig mee kunnen werken. NANDA staat voor North American Nursing Diagnosis Association, de organisatie die dit classificatiesysteem ontwikkelde en onderhoudt.
In Nederland wordt het volledige systeem NANDA-I genoemd (NANDA International). Het bevat meer dan 240 verpleegkundige diagnoses, verdeeld over 13 domeinen. Deze diagnoses helpen verpleegkundigen om:
- Gezondheidsproblemen van patiënten uniform te benoemen, waardoor communicatie tussen zorgverleners eenduidig verloopt
- Diagnoses te koppelen aan interventies (NIC) en verwachte resultaten (NOC), wat zorgt voor een systematische aanpak
- Zorg te documenteren op een manier die aansluit bij internationale standaarden en elektronische patiëntendossiers.
Het belangrijkste verschil met medische diagnoses: een verpleegkundige diagnose richt zich op de reactie van de patiënt op een gezondheidsprobleem, niet op het probleem zelf. Een arts stelt bijvoorbeeld de diagnose “diabetes mellitus type 2”. De verpleegkundige stelt daarnaast verpleegkundige diagnoses als “risico op instabiele glucosewaarden” of “kennis tekort over ziektemanagement”.
Hoe verschilt een NANDA-diagnose van een medische diagnose?
Het verschil tussen medische en verpleegkundige diagnoses zorgt regelmatig voor verwarring. Hier het cruciale onderscheid:
Medische diagnose: Een arts identificeert een ziekte, aandoening of pathologisch proces. Voorbeelden zijn “pneumonie”, “fractuur” of “hypertensie”. De medische diagnose blijft vaak stabiel gedurende de behandeling.
Verpleegkundige diagnose: Een verpleegkundige identificeert hoe een patiënt reageert op ziekte, behandeling of levensomstandigheden, en welke problemen daarbij optreden waar verpleegkundige zorg nodig is. Deze diagnoses kunnen tijdens het zorgproces veranderen.
Een praktisch voorbeeld maakt dit duidelijker. Mevrouw Jansen (78 jaar) valt thuis en breekt haar heup:
Medische diagnose (arts): Collumfractuur links
Verpleegkundige diagnoses (verpleegkundige):
– Acute pijn gerelateerd aan fractuur en weefselschade
– Beperkte mobiliteit gerelateerd aan pijn en bewegingsbeperking
– Risico op decubitus gerelateerd aan verminderde mobiliteit
– Angst gerelateerd aan plotselinge afhankelijkheid en ziekenhuisopname
De medische diagnose blijft “collumfractuur” totdat de fractuur genezen is. De verpleegkundige diagnoses veranderen: acute pijn wordt mogelijk chronische pijn, beperkte mobiliteit verbetert tijdens revalidatie, en angst kan afnemen naarmate mevrouw Jansen zich veiliger voelt.
Wil je begrijpen hoe NANDA-diagnoses passen in het grotere verpleegkundig proces? Lees dan ons artikel over NANDA, NIC en NOC, dat uitlegt hoe diagnoses, interventies en resultaten samenhangen.
De 13 domeinen van NANDA-I
Alle NANDA-diagnoses zijn ingedeeld in 13 domeinen. Deze indeling helpt bij het systematisch verzamelen van gegevens en het stellen van diagnoses. Hier een overzicht:
Domein 1: gezondheidsbevordering: diagnoses over bewustzijn van welzijn en normale functioneren. Bijvoorbeeld: “bereidheid tot verbeterde zelfzorg”.
Domein 2: voeding – diagnoses over voedselinname, vertering en metabolisme. Bijvoorbeeld: “verstoorde voedselinname”, “risico op instabiele glucosewaarden”.
Domein 3: uitscheiding en uitwisseling – diagnoses over afgifte van afvalstoffen. Bijvoorbeeld: “obstipatie”, “urine-incontinentie”.
Domein 4: activiteit en rust – diagnoses over energie, beweging, slaap. Bijvoorbeeld: “vermoeidheid”, “verstoord slaappatroon”, “beperkte mobiliteit”.
Domein 5: perceptie en cognitie – diagnoses over informatieverwerking en geheugen. Bijvoorbeeld: “acute verwardheid”, “kennistekort”.
Domein 6: zelfperceptie – diagnoses over zelfbeeld en gevoel van eigenwaarde. Bijvoorbeeld: “chronisch laag zelfwaardegevoel”, “verstoord lichaamsbeeld”.
Domein 7: rollen en relaties – diagnoses over sociale rollen en relaties. Bijvoorbeeld: “verstoorde ouderschapsrol”, “sociaal isolement”.
Domein 8: seksualiteit – diagnoses over seksuele identiteit en voortplanting. Bijvoorbeeld: “seksuele disfunctie”, “ineffectieve borstvoeding”.
Domein 9: coping en stress – diagnoses over omgaan met levensgebeurtenissen. Bijvoorbeeld: “angst”, “rouw”, “ineffectieve coping”.
Domein 10: levensprincipes – diagnoses over waarden en overtuigingen. Bijvoorbeeld: “morele lijdensdruk”, “geestelijke nood”.
Domein 11: veiligheid en bescherming – diagnoses over vrijwaring van gevaar. Bijvoorbeeld: “risico op vallen”, “risico op infectie”, “beschadigde huidintegriteit”.
Domein 12: comfort – diagnoses over welbevinden. Bijvoorbeeld: “acute pijn”, “verstoord comfortgevoel”.
Domein 13: groei en ontwikkeling – diagnoses over leeftijdsgebonden ontwikkeling. Bijvoorbeeld: “risico op vertraagde ontwikkeling”.
Top 25 meest gebruikte NANDA-diagnoses in Nederland
In de Nederlandse zorgpraktijk kom je bepaalde NANDA-diagnoses veel vaker tegen dan andere. Deze lijst helpt je de belangrijkste te herkennen en correct toe te passen:
1. Acute pijn
Definitie: Onaangename zintuiglijke en emotionele ervaring, geassocieerd met actuele of potentiële weefselbeschadiging, met een plotselinge of langzame start en van variabele intensiteit.
Voorbeeld: Postoperatieve pijn na heupoperatie, pijn door fractuur, pijn bij acute pancreatitis.
2. Chronische pijn
Definitie: Onaangename zintuiglijke en emotionele ervaring die langer dan 3 maanden aanhoudt.
Voorbeeld: Pijn bij fibromyalgie, chronische rugpijn, neuropathische pijn bij diabetes.
3. Risico op vallen
Definitie: Verhoogde kwetsbaarheid om te vallen, wat letsel kan veroorzaken.
Voorbeeld: Oudere patiënt met loopstoornissen, patiënt met duizeligheid door medicatie, patiënt na een beroerte.
4. Beperkte mobiliteit
Definitie: Beperking in onafhankelijke, doelgerichte fysieke beweging van het lichaam of een of meer extremiteiten.
Voorbeeld: Na heupfractuur, bij ernstig COPD, na CVA met halfzijdige verlamming.
5. Risico op infectie
Definitie: Verhoogde kwetsbaarheid om geïnvadeerd te worden door pathogene organismen.
Voorbeeld: Patiënt met intraveneus infuus, postoperatieve patiënt, patiënt met verminderde weerstand door chemotherapie.
6. Angst
Definitie: Vaag, onbehaaglijk gevoel van ongerustheid of dreiging, vergezeld van een autonome reactie.
Voorbeeld: Preoperatieve angst, angst bij eerste chemotherapie, angst na diagnose kanker.
7. Verstoord slaappatroon
Definitie: Door tijd beperkte onderbrekingen van de slaap (natuurlijk, periodiek bewustzijnsniveau).
Voorbeeld: Patiënt die wakker ligt door zorgen, pijn die slapen verhindert, verstoring door ziekenhuisomgeving.
8. Obstipatie
Definitie: Afname van de normale frequentie van defecatie, vergezeld van moeilijke of incomplete passage van ontlasting en/of passage van buitengewoon harde, droge ontlasting.
Voorbeeld: Bij gebruik van opioïden, door inactiviteit, bij onvoldoende vochtinname.
9. Kennistekort
Definitie: Afwezigheid of deficiëntie van cognitieve informatie met betrekking tot een specifiek onderwerp.
Voorbeeld: Patiënt kent ziektebeeld diabetes niet, geen kennis over medicijngebruik, onbekend met wondverzorging thuis.
10. Ineffectief zelfzorgmanagement
Definitie: Patroon van reguleren en integreren in het dagelijks leven van een behandelregime voor ziekte dat onbevredigend is om gezondheidsdoelen te bereiken.
Voorbeeld: Diabetespatiënt die geen glucosewaarden meet, hartpatiënt die medicatie vergeet, COPD-patiënt die blijft roken.
11. Risico op decubitus
Definitie: Verhoogde kwetsbaarheid voor gelokaliseerde beschadiging van de huid en/of onderliggend weefsel, gewoonlijk boven een botuitsteeksel, ten gevolge van druk of druk in combinatie met schuifkracht.
Voorbeeld: Bedlegerige patiënt, verminderde mobiliteit, ondervoeding, verminderd bewustzijn.
12. Vermoeidheid
Definitie: Een overweldigend, aanhoudend gevoel van uitputting en verminderd vermogen tot fysieke en mentale arbeid op gebruikelijk niveau.
Voorbeeld: Bij chemotherapie, chronische ziekten zoals hartfalen, na ernstige infectie.
13. Ineffectieve ademhalingspatroon
Definitie: Inspiratie en/of expiratie die geen adequate ventilatie verzekert.
Voorbeeld: Bij COPD-exacerbatie, na thoraxchirurgie, bij acute dyspnoe.
14. Verstoorde huidintegriteit
Definitie: Veranderde epidermis en/of dermis.
Voorbeeld: Operatiewond, decubitus graad 2 of hoger, brandwond, veneuze ulcera.
15. Urine-incontinentie
Definitie: Onvrijwillig verlies van urine.
Voorbeeld: Na prostaatoperatie, bij verminderde mobiliteit, bij dementie.
16. Risico op instabiele glucosewaarden
Definitie: Verhoogde kwetsbaarheid voor variatie in glucose (suiker) concentraties in het bloed ten opzichte van de normale waarden.
Voorbeeld: Diabetespatiënt met wisselende insulinebehoefte, tijdens ziekte, bij medicatiewijziging.
17. Sociaal isolement
Definitie: Eenzaamheid ervaren door het individu en door de persoon als opgelegd ervaren en als een negatieve of bedreigende toestand.
Voorbeeld: Oudere zonder sociaal netwerk, patiënt in isolatie wegens infectierisico, chronisch zieke die activiteiten moet beperken.
18. Rouw
Definitie: Normale complexe proces dat volgt op verlies van een geliefd persoon of object.
Voorbeeld: Na overlijden partner, bij terminale diagnose, na verlies ledemaat.
19. Ineffectieve coping
Definitie: Onvermogen om een adequate beoordeling te maken van stressoren, inadequate keuzes van te ondernemen acties en/of onvermogen om beschikbare hulpbronnen te gebruiken.
Voorbeeld: Patiënt ontkent ernstige diagnose, vermijdt behandeling, isoleert zich sociaal.
20. Verstoorde lichaamswarmte
Definitie: Temperatuur fluctueert tussen hypothermie en hyperthermie.
Voorbeeld: Koorts bij infectie, onderkoeling bij ouderen, temperatuurregulatie verstoord na hersenbeschadiging.
21. Beschadigde mondslijmvliezen
Definitie: Beschadiging van de lippen en zachte weefsels van de mondholte.
Voorbeeld: Bij chemotherapie, dehydratie, slechte mondhygiëne, beademing.
22. Verstoord lichaamsbeeld
Definitie: Verwarring in het mentale beeld van het fysieke zelf.
Voorbeeld: Na amputatie, borstamputatie bij kanker, blijvende littekens na trauma.
23. Risico op longembolie
Definitie: Verhoogde kwetsbaarheid voor blokkade van een longarterie door een thrombus of ander materiaal.
Voorbeeld: Na operatie met bedrust, bij vaatafwijkingen, bij stollingsstoornissen.
24. Overbelasting van de mantelzorger
Definitie: Moeilijkheid bij het uitvoeren van de mantelzorgrol.
Voorbeeld: Partner van dementiepatiënt, ouders van kind met beperking, volwassen kind dat ouder verzorgt.
25. Acute verwardheid
Definitie: Abrupte veranderingen in aandacht, cognitie en bewustzijn die zich ontwikkelen gedurende een korte periode.
Voorbeeld: Postoperatief delier, bij urineweginfectie bij ouderen, bij dehydratie.
Bij verpleegkundige diagnoses rondom vitale functies helpt de EWS score om de ernst van de situatie objectief vast te stellen.
Hoe formuleer je een NANDA-diagnose correct?
Een NANDA-diagnose formuleer je volgens een vaste structuur. De meest gebruikte methode is de PES-structuur: Probleem – Etiologie – Symptomen. Deze methode zorgt voor volledige, heldere diagnoses.
P (Probleem): het NANDA-diagnoselabel
E (Etiologie): gerelateerd aan (de oorzaak/bijdragende factor)
S (Symptomen): blijkend uit (de kenmerken die je observeert)
Voor een gedetailleerde uitleg over de PES-methode, inclusief voorbeelden en veelgemaakte fouten, lees ons artikel over de PES-methode.
Hier vind je een paar voorbeelden van correct geformuleerde diagnoses:
Voorbeeld 1: actuele diagnose
Acute pijn gerelateerd aan weefselbeschadiging door operatieve ingreep blijkend uit pijnscore 7/10, pijnlijk gezicht, beschermende houding en verhoogde hartslag.
Voorbeeld 2: risico-diagnose
Risico op vallen gerelateerd aan evenwichtsstoornissen, gebruik van sederende medicatie en onbekendheid met omgeving.
Let op: bij risico-diagnoses gebruik je geen “blijkend uit”-gedeelte, omdat het probleem nog niet is opgetreden. Je noemt alleen de risicofactoren.
Voorbeeld 3: welzijnsdiagnose
Bereidheid tot verbeterde zelfzorg blijkend uit vragen over gezonde leefstijl, interesse in diabetesvoorlichting en uitdrukking van wens om gezonder te leven.
Van Gordon-patroon naar NANDA-diagnose: praktische voorbeelden
De meeste verpleegkundigen in Nederland gebruiken de 11 functionele gezondheidspatronen van Gordon voor hun anamnese. Maar hoe kom je van die anamnese bij een NANDA-diagnose? Hier praktische voorbeelden:
Situatie 1: Meneer de Vries (68 jaar) – patroon 4: activiteit en rust
Anamnese volgens Gordon:
– Slaapt sinds hartinfarct slecht, maakt zich 's nachts zorgen
– Ligt vaak wakker tussen 02:00-04:00 uur
– Overdag moe en prikkelbaar
– Drinkt 's avonds koffie om de dag door te komen
NANDA-diagnose:
Verstoord slaappatroon gerelateerd aan angst voor nieuw hartinfarct en inadequate slaaphygiëne (avondkoffie) blijkend uit rapportage nachts wakker liggen, vermoeidheid overdag en geprikkeldheid.
Wil je meer weten over het gebruik van de Gordon-patronen? Lees ons uitgebreide artikel over de 11 patronen van Gordon.
Situatie 2: Mevrouw Bakker (45 jaar) – patroon 2: voeding en vocht
Anamnese volgens Gordon:
– Type 2 diabetes, recent gediagnosticeerd
– Weet niet welk voedsel bloedsuiker verhoogt
– Meet glucosewaarden onregelmatig
– Begrijpt instructie over koolhydraten niet goed
NANDA-diagnose:
Kennistekort over diabetesmanagement gerelateerd aan recente diagnose en complexiteit van ziektebeeld blijkend uit vragen over voeding, onregelmatig meten glucosewaarden en uitdrukking van onzekerheid.
Situatie 3: Meneer Jansen (82 jaar) – patroon 9: seksualiteit en voortplanting
Anamnese volgens Gordon:
– Prostaatoperatie 3 weken geleden
– Urineverlies bij hoesten, niezen, bukken
– Durft niet naar fysiotherapie of boodschappen vanwege angst voor ongelukjes
– Gebruikt 4-5 incontinentieverband per dag
NANDA-diagnose:
Stress-incontinentie gerelateerd aan verzwakte bekkenbodemspieren na prostaatoperatie blijkend uit urineverlies bij verhoogde buikdruk, gebruik van incontinentiemateriaal en sociale beperking uit angst voor ongelukjes.
Situatie 4: Mevrouw Peters (55 jaar) – patroon 6: cognitie en perceptie
Anamnese volgens Gordon:
– Chemotherapie voor borstkanker gestart
– Verward over medicatieschema: 5 verschillende medicijnen
– Vergeet doses in te nemen
– Weet niet welke bijwerkingen ze moet melden
NANDA-diagnose:
Kennistekort over medicatieregime gerelateerd aan complexiteit van behandeling en cognitieve effecten van chemotherapie blijkend uit vragen over medicijngebruik, vergeten doses en onzekerheid over bijwerkingen.
Veelgemaakte fouten bij NANDA-diagnoses
Studenten maken regelmatig dezelfde fouten bij het stellen van NANDA-diagnoses. Hier de belangrijkste valkuilen:
Fout 1: medische diagnose gebruiken als verpleegkundige diagnose
Fout: “Diabetes mellitus type 2”
Goed: “Risico op instabiele glucosewaarden gerelateerd aan onvoldoende kennis over diabetesmanagement”
Verpleegkundigen stellen geen medische diagnoses. Ze identificeren de verpleegkundige problemen die voortkomen uit de medische situatie.
Fout 2: interventie als diagnose formuleren
Fout: “Heeft hulp nodig bij ADL”
Goed: “Zelfzorgtekort: wassen en kleden gerelateerd aan verminderde spierkracht na CVA”
Een diagnose beschrijft het probleem, niet wat je eraan gaat doen.
Fout 3: juridisch problematische formuleringen
Fout: “Risico op vallen gerelateerd aan nalatigheid personeel”
Goed: “Risico op vallen gerelateerd aan verminderde mobiliteit en medicatie met sederende werking”
Formuleer etiologie nooit als aanklacht of schuld. Dit kan juridische consequenties hebben.
Fout 4: vaag blijven in de symptomen
Fout: “Acute pijn blijkend uit pijn”
Goed: “Acute pijn blijkend uit pijnscore 8/10, kreunen bij beweging, beschermende houding en verhoogde bloeddruk”
Symptomen moeten concreet en observeerbaar zijn. “Pijn” herhalen is geen symptoom.
Fout 5: risico-diagnose met symptomen
Fout: “Risico op decubitus blijkend uit roodheid stuitbeen”
Goed: Als er al roodheid is → “Verstoorde huidintegriteit blijkend uit roodheid ter plaatse van stuitbeen”
Of: “Risico op decubitus gerelateerd aan bedlegerigheid en verminderde voedingstoestand” (zonder symptomen)
Een risico is er nog niet, dus zijn er geen symptomen. Als symptomen aanwezig zijn, is het een actuele diagnose.
Fout 6: etiologie en symptomen door elkaar halen
Fout: “Angst gerelateerd aan verhoogde hartslag en zweten”
Goed: “Angst gerelateerd aan dreigende operatie blijkend uit verhoogde hartslag, zweten en uitdrukking van ongerustheid”
Verhoogde hartslag en zweten zijn gevolgen (symptomen) van angst, niet de oorzaak.
Fout 7: onjuiste NANDA-terminologie
Fout: “Weinig kennis over ziekte”
Goed: “Kennistekort over ziektebeeld”
Gebruik altijd de officiële NANDA-diagnoselabels. “Weinig kennis” is geen erkende NANDA-diagnose, “kennistekort” wel.
Hoe blijf je actueel met NANDA?
NANDA-I actualiseert het classificatiesysteem regelmatig. Nieuwe diagnoses worden toegevoegd, oude worden aangepast of verwijderd. Voor professionals is het belangrijk om:
- De meest recente NANDA-I editie te raadplegen (momenteel NANDA-I 2024-2026). In Nederland worden vaak vertalingen gebruikt die enkele jaren achterlopen op de Engelse uitgave
- Te letten op updates in elektronische patiëntendossiers (EPD's), die werken met de geïmplementeerde NANDA-versie
- Scholing te volgen over nieuwe of gewijzigde diagnoses
Veel Nederlandse zorginstellingen werken met een vast aantal NANDA-diagnoses dat is ingevoerd in hun EPD. Dit is praktisch werkbaar, maar betekent ook dat niet alle 240+ diagnoses beschikbaar zijn in elk systeem.
NANDA in combinatie met andere systemen
NANDA wordt vaak gecombineerd met andere classificatiesystemen:
NANDA-NIC-NOC: Dit is de meest gebruikte combinatie internationaal. NANDA voor diagnoses, NIC (Nursing Interventions Classification) voor interventies en NOC (Nursing Outcomes Classification) voor resultaten. Samen vormen ze een compleet verpleegkundig proces. Lees meer over deze samenhang in ons artikel over NANDA-NIC-NOC.
Gordon met NANDA: In Nederland combineren veel verpleegkundigen de 11 patronen van Gordon (voor anamnese) met NANDA-diagnoses. Gordon helpt bij systematisch gegevensverzamelen, NANDA bij het benoemen van de gevonden problemen.
Omaha System: Dit systeem wordt vooral gebruikt in de wijkverpleging en combineert probleemlabels, interventies en uitkomsten in één classificatie. Het Omaha System is praktischer voor thuiszorg dan NANDA. Meer informatie vind je in ons artikel over het Omaha System.
ICNP (International Classification for Nursing Practice): Dit is een alternatief classificatiesysteem ontwikkeld door de International Council of Nurses. Het wordt minder gebruikt in Nederland dan NANDA.
Praktijktips voor het werken met NANDA
Begin met de meest voorkomende diagnoses die bij jouw werkveld passen. Een verpleegkundige op een orthopedische afdeling gebruikt andere diagnoses dan een wijkverpleegkundige.
Gebruik de domeinindeling als geheugensteun. Als je systematisch door de 13 domeinen gaat tijdens je anamnese, vergeet je minder snel relevante gebieden.
Prioriteer je diagnoses. Niet alle geïdentificeerde problemen hebben dezelfde urgentie. Acute problemen (zoals acute pijn, ineffectieve ademhaling) gaan voor chronische problemen.
Update je diagnoses regelmatig. Verpleegkundige diagnoses zijn dynamisch. Wat vandaag een risico is, kan morgen een actueel probleem zijn. Wat deze week een probleem was, kan volgende week opgelost zijn.
Betrek de patiënt bij het stellen van diagnoses. NANDA-diagnoses gaan over hoe de patiënt zijn situatie ervaart. De patiënt zelf is de beste bron voor die informatie.
Wees specifiek in je formuleringen. “Angst gerelateerd aan ziekenhuisopname” is te algemeen. “Angst gerelateerd aan onbekendheid met operatieprocedure en eerdere negatieve ervaring met anesthesie” geeft veel meer richting aan interventies.
Veelgestelde vragen over NANDA-diagnoses
Hoeveel NANDA-diagnoses moet ik stellen per patiënt?
Er is geen vast aantal. Stel alleen diagnoses voor daadwerkelijke of potentiële problemen waar verpleegkundige interventie nodig is. Gemiddeld zijn dat 2-5 diagnoses per patiënt, maar dit kan variëren van 1 tot 10+ afhankelijk van de complexiteit van de situatie.
Moet ik NANDA-diagnoses letterlijk uit het boek overnemen?
Het diagnoselabel (het P-deel) moet exact overeenkomen met de NANDA-terminologie. De etiologie en symptomen formuleer je zelf, passend bij de specifieke patiëntsituatie.
Wat als ik geen passende NANDA-diagnose kan vinden?
Soms past geen enkele NANDA-diagnose precies. Kies dan de diagnose die het dichtst in de buurt komt. Je mag in de etiologie en symptomen specificeren wat precies aan de hand is. Als echt niets past, overleg dan met een ervaren collega.
Hoe vaak moet ik diagnoses evalueren?
Dit hangt af van de setting. In het ziekenhuis vaak dagelijks, in de thuiszorg wekelijks of per consult. Actuele problemen evalueer je vaker dan risico-diagnoses. Bij acute veranderingen in de situatie evalueer je direct.
Mag ik meerdere etiologieën in één diagnose noemen?
Ja, dat mag. Problemen hebben vaak meerdere oorzaken. Bijvoorbeeld: “Risico op vallen gerelateerd aan evenwichtsstoornissen, polyfarmacy en onbekendheid met omgeving.” Hou het wel overzichtelijk en noem alleen relevante factoren.
Verschilt NANDA tussen landen?
De diagnoses zelf zijn internationaal hetzelfde, maar de toepassing en vertaling kunnen verschillen. In Nederland wordt NANDA gecombineerd met Gordon, in andere landen met andere systemen. Ook zijn Nederlandse vertalingen soms net iets anders geformuleerd dan de Engelstalige originelen.
Wat is het verschil tussen een actuele diagnose en een risico-diagnose?
Een actuele diagnose beschrijft een bestaand probleem met symptomen die nu aanwezig zijn. Een risico-diagnose beschrijft kwetsbaarheid voor een probleem dat er nog niet is, dus zonder symptomen maar met risicofactoren.
Kan ik NANDA gebruiken bij preventie?
Absoluut. Veel NANDA-diagnoses zijn juist gericht op preventie: alle diagnoses die beginnen met “risico op” zijn preventief van aard. Denk aan “risico op infectie”, “risico op vallen”, “risico op decubitus”.
Hoe lang blijft een NANDA-diagnose staan?
Dat verschilt. Sommige diagnoses zijn kortdurend (acute pijn na operatie), andere langdurig of permanent (chronische pijn bij artrose). Evalueer regelmatig of de diagnose nog actueel is en pas aan waar nodig.
Moet ik NANDA gebruiken of mag ik ook andere systemen kiezen?
Dit hangt af van je werkplek. Veel Nederlandse zorginstellingen hebben NANDA geïmplementeerd in hun EPD, waardoor je het in de praktijk moet gebruiken. In de thuiszorg wordt soms het Omaha System gebruikt. Als student leer je meestal meerdere systemen kennen.
NANDA als onderdeel van professionele zorg
NANDA-diagnoses vormen een essentieel onderdeel van professionele verpleegkundige zorg. Ze helpen verpleegkundigen om systematisch problemen te identificeren, zorg te plannen en te evalueren, en eenduidig te communiceren met collega's.
Het correct toepassen van NANDA-diagnoses vraagt oefening. Begin met de meest voorkomende diagnoses in jouw werkveld, gebruik de PES-structuur consequent, en evalueer regelmatig of je diagnoses nog actueel zijn. Naarmate je meer ervaring opdoet, wordt het stellen van NANDA-diagnoses een natuurlijk onderdeel van je klinisch redeneren.
Vergeet niet dat NANDA-diagnoses deel uitmaken van een groter geheel. De diagnose is slechts één stap in het verpleegkundig proces. Na het stellen van de diagnose volgen interventies en evaluatie van resultaten. Voor een compleet overzicht van dit proces, lees ons artikel over NANDA-NIC-NOC.
Blijf jezelf ontwikkelen door scholing te volgen, nieuwe diagnoses te leren kennen en van ervaren collega's te leren. Goede diagnostiek is de basis van goede zorg.
Bronnen en achtergrond:
Medische disclaimer: dit artikel is bedoeld voor educatieve doeleinden. Het vormt geen vervanging voor professionele scholing, klinische supervisie of richtlijnen van jouw zorginstelling. Raadpleeg bij twijfel altijd een ervaren verpleegkundige, docent of de officiële NANDA-I publicaties. Zorgverleners blijven te allen tijde zelf verantwoordelijk voor correcte diagnostiek en zorgverlening.
Gebruikte bronnen:
- NANDA International (2024). Nursing Diagnoses: Definitions & Classification 2024-2026
- V&VN Standaarden voor verpleegkundige diagnostiek
- Gordon, M. (2014). Manual of Nursing Diagnosis (13th ed.)
 
Artikel geschreven op 12 december 2025. Laatste review op 27 januari 2026, 17:08 door Alex








